lundi 3 mai 2010

Omelette du Roi

Ik denk niet dat Madame de Pompadour gelukkig was in de laatste jaren van haar leven. Ze had last van de vele oorlogen waarin Frankrijk verwikkeld was geraakt. Het weerbarstige parlement en de Franse kerk, die allebei het gezag van de koning trachtten te ondermijnen, zaten haar eveneens in de weg. Ze stond onder zoveel druk dat ze er fysiek ziek van werd. Voortdurend klaagde ze over hartkloppingen, hoofdpijnen en een moeizame spijsvertering. Ze vroeg al lang niet meer naar mijn gerechten die de passie tussen haar en de koning bevorderden. Zelfs mijn meer gewone gerechten bleven onaangeraakt op haar bord liggen. Het enige wat ze nog verdroeg waren lichte en heldere soepen en liters thee. Midden in de nacht, wanneer ze de slaap niet kon vatten, maakte ik voor haar kamille thee met oranjebloesems. En wanneer zij last had van koude rillingen, dan wilde ze thee van gember, kaneel, honing, en een paar kruidnagels en citroen.

Ze lachte vermoeid wanneer ik met een dienblad, waarop de theepot en theekopjes stonden, haar kamer kwam binnenlopen. Ik zette het dienblad op haar nachtkastje. Omringd door kussens, onder een dikke deken, lag ze op bed. Ze had een wollen sjaal om haar hals geslagen en vertelde dat ze eigenlijk al haar hele leven koude handen en voeten had gehad. De koning had hier nooit aan kunnen wennen en haar om die reden ‘koud in bed’ genoemd. Ze benadrukte dat ze altijd de raadsvrouw van de koning was geweest, dat hij haar nog steeds nodig had, dat hij niet zonder haar adviezen kon, maar ze leek er zichtbaar onder te lijden dat de koning, haar levenspartner, nu met allerlei jonge meisjes zijn nachten doorbracht.

Ik vertelde haar daarom nooit dat ik, als ik in de keuken thee voor haar zette, de koning vaak met een of twee of soms drie van zijn jonge meisjes aantrof. Giechelend rende hij in zijn witte nachtgewaad achter zijn meisjes aan, opzoek naar aardbeien, een fles champagne of een stuk quiche met zalm. Wanneer hij mij na een tijdje in de gaten kreeg, stelde hij mij aan zijn bedgenoten voor en dan stond hij erop voor ons allemaal een omelet met tuinkruiden te maken.

Natuurlijk kon ik een omelet zelf door de koning gemaakt niet weigeren, een koning weiger je niets. Nadat ik Madame de Pompadour haar thee had bezorgd, ging ik dus weer terug naar de keuken. Daar trof ik de meisjes keurig aan de keukentafel aan terwijl de koning de omelet in de pan omgooide. Ik moet toegeven dat hij een aardige omelet bakte. Luchtig. Altijd, ook al bracht hij geen nacht meer met haar door, vroeg hij mij of hij Madame de Pompadour eveneens met een omelet een plezier zou kunnen doen.

‘Madame heeft vanavond niet zo’n honger,’ antwoordde ik en het was dan ook geen wonder, gelet op haar eetpatroon, dat ze steeds meer verzwakte. Toen de herfsttijd aanbrak, had ze geen enkele reserves meer. Ze kreeg griep, keelpijn, koorts, hoestte bloed en overleed voordat de winter intrad. Ik vreesde dat de koning mij zou vertellen dat met het overlijden van Madame de Pompadour er een einde aan mijn betrekking op het kasteel was gekomen, maar hij prees me. Hij verzekerde mij dat ik goed voor Madame de Pompadour had gezorgd en dat het niet lag aan mij, noch aan mijn kookkunsten, dat ze was overleden. Hij zei dat ik altijd aan het hof mocht blijven, mijn hele leven lang.

In dienst van de koning, kookte ik op een avond voor een van zijn gasten, een wereldreiziger en specerijenzoeker, Pierre Poivre genaamd. Terwijl de koning en het merendeel van zijn tafelgenoten nog aan het eten waren (iedere chef-kok steekt graag zijn hoofd even om de deur om te controleren of de gasten daadwerkelijk van zijn maal zitten genieten), begon Pierre Poivre tussen de borden door een kaart van de Specerij Eilanden uit te rollen. Het viel mij op hoe behendig hij dit deed terwijl hij geen rechterarm had. Onderwijl beschreef hij een plan hoe wij Fransen het monopolie van de VOC konden doorbreken en zo de bondgenoot van de Engelsen voor eens en altijd konden ondermijnen. Het was een simpel plan en het was hem eerder gelukt, ware het niet dat de tuinier van Mauritius zijn kruidnagel- en nootmuskaatplantjes had laten vergaan.

‘Wij Fransen vechten met de Engelsen en de Engelsen vechten met de Fransen. Niet als de Engelsen worden wij Fransen verscheurd tussen onze belangen op het Europese continent en de wereldzeeën, maar we hoeven niet langer tussen het continent en de wereldzeeën te kiezen en een groot Frans imperium ligt in het verschiet,’ zei hij ernstig.

De koning staarde hem met een volle mond aan en vroeg: ‘Hoe is het daar eigenlijk in Indië? Is het daar altijd mooi weer en zijn de vrouwen daar echt zo mooi, bevallig en gewillig?’

Pierre Poivre keek onthutst. Hij had de koning beter kunnen antwoorden en miste de kans die ik later in de avond kreeg. Op zoek naar iets te eten, trof ik de koning met een van zijn meisjes in de keuken aan. Ik merkte op dat ik de kruidnagels en nootmuskaat best aan de bomen wilde zien groeien en dat ik over de vrouwen in Indië zoveel verhalen had gehoord.

Ik weet niet waarom ik over de vrouwen in Indië was begonnen, zoveel ervaring had ik op dit gebied niet, maar ik weet wel dat dit de doorslag vormde. Onmiddellijk, zonder een moment te twijfelen, wist de koning wat mij te doen stond: onder het mom van het inkopen van de kruidnagels en nootmuskaat zou ik naar de Oost vertrekken. Mocht het mij lukken om enkele van deze plantjes te bemachtigen, dan moest ik ze vooral meenemen. Zo had Pierre Poivre ook wat om handen. Hoe dan ook, hij was het meest geïnteresseerd in de vrouwen. Hij wilde dat ik voor hem een meisje met donkere haren, donkere ogen en een licht bruine huid zou terug brengen.

'Van die zwoele zwarte amandelvormige ogen,' beschreef hij in detail.

‘Een, twee, drie, een dozijn, zoveel er maar op het schip passen,’ ging hij met een gulzige blik verder.

‘Ik zal je goed voorzien,’ beloofde hij mij ook nog.

Terug in Parijs besloot ik mijn ouders alleen te vertellen dat de koning mij op een bijzondere missie stuurde die te maken had met de Specerij Eilanden, de VOC en het monopolie op de kruidnagels en nootmuskaat. Ik had het over het grootse Frans imperium en verzweeg de belangstelling van de koning voor de vrouwen van de Oost. Het leek mij dat mijn ouders, en vooral mijn vader, hier hard om zouden moeten lachen. Hoe kon het dat uitgerekend ik, aan wie het aan de benodigde charmes en nonchalance ontbrak, een dozijn meisjes zou moeten overtuigen om met mij terug te gaan naar Frankrijk?

Mijn vader vroeg zich af wat een ware heer in de Oost te zoeken had. Wat voor wijsheden en materieel gewin waren daar te vinden? Mijn moeder antwoordde dat ze altijd had willen reizen en dat mijn vader blij moest zijn dat ik die kans kreeg. En Marcus? Hij stond tussen mijn ouders in, was eenmiddels een kop groter dan mijn vader, en haalde zijn handen door zijn blonde krullen, en voorspelde dat ik, zijn broer, de beste chef-kok van Parijs en omstreken, weldra een wereldreiziger en een ware held zou zijn. Na mijn vele avonturen in de Oost en mijn terugkomst in Frankrijk zou niet alleen hij, maar ook de koning en alle inwoners van Frankrijk, dit zo zien.

‘Dat moeten we maar eens afwachten,’ merkte mijn vader droog op. Marcus liet zich echter niet van de wijs brengen en ging onverstoorbaar door over mijn aanstaande avonturen en heldendaden.

De avond voor mijn vertrek vond ik Marcus alleen in de keuken. We konden allebei niet slapen. Misschien vanwege onze lege magen. Vanwege de zenuwen over het aanstaande afscheid hadden we allebei weinig kunnen genieten van de laatste maaltijd die ik voor onze familie had bereid. Marcus zei niets. Ik openende een fles rode wijn en schonk twee glazen in. Toen stelde ik voor om voor ons een omelet met tuinkruiden te maken, zoals ik de koning voor zijn meisjes zo vaak midden in de nacht had zien doen.

'Roer de eieren los', zei ik en maakte een koninklijk gebaar terwijl ik de eieren boven de kom brak en met een vork losklopte.

Marcus sneed onderwijl de tuinkruiden fijn.

'Gooi de boter in de pan,' zei ik. Vervolgens voegde ik de eieren en tuinkruiden toe en bewoog de pan koninklijk heen en weer over het vuur. Marcus reikte mij mijn glas aan.

'Gooi de omelet in de lucht,' zei ik en maakte een nog groter koninklijk gebaar, maar met tong tussen de tanden want dat deed de koning ook, terwijl ik de omelet in de lucht gooide en in mijn andere hand het glas wijn balanceerde.

Marcus lachte.

'Omelette du Roi,' zei ik toen ik Marcus de omelet presenteerde. We zaten tegenover elkaar aan de tafel in de eetkamer van mijn ouders.

'Omelette du Roi al la Venecius Venuto,' verbeterde hij mij. 

0 commentaires:

Enregistrer un commentaire