Hoewel ik door de vele verhalen op de hoogte was van de verschrikkingen die zich tijdens de reis naar de Oost konden voordoen, zoals stormen, hitte, windstilte, luizen, vlooien en scheurbuik, verliep mijn overtocht voorspoedig. Misschien kwam het door de schipper die, ondanks zijn beperkte verstand van eten, een uitstekende kapitein was. Regelmatig hoorde ik hem een praatje met zijn stuurmannen en matrozen maken. Hij besprak het weer, het verloop van de reis, de staat waarin het schip, de zeilen en touwen zich bevonden en nooit vergat hij te vragen of de stuurmannen en matrozen het naar hun zin hadden en of hij iets voor hen kon betekenen.
Soms kwam de schipper ook wel eens een kijkje in de keuken nemen en dan wilde hij weten hoe ik de vissen, die een van de matrozen eerder op de dag had gevangen, zou klaarmaken. De beperkte hoeveelheid ingrediënten aan boord spoorde mijn creativiteit goed aan. Naast de exotische vissen die ik nog nooit had gezien en waarvoor ik dus nieuwe gerechten moest verzinnen, experimenteerde ik met de bereiding van verschillende maaltijd soepen. Ik serveerde linzensoep toegedekt met een dikke laag geraspte kaas, maïssoep met krab of vissoep met aardappels. Het was mij opgevallen dat de matrozen en soldaten hard werkten en het leek mij dat hartige en gebonden soepen, die zij met een grote homp brood in hun korte pauzen snel konden verorberen, hun op krachten zouden houden.
Eenmaal in Kaap de Goede Hoop aangekomen, maakte ik van de verplichte tussenstop gebruik om opnieuw in te slaan. Meer kippen, varkens en struisvogel - de lokale variant op de kalkoen - die in gerookte, gedroogde en gezouten versie kwam. Enigszins mokkend schreef de schipper het merendeel van mijn aankopen in zijn kasboek als uitgaven op. Ik denk dat hij in de tussentijd mijn kookkunsten was gaan waarderen en dat hij ook moest erkennen dat zijn manschappen er uiterst tevreden en vol energie bijliepen.
Na onze stop voeren we in een recordtijd naar Batavia door waar we in de vroege ochtend in de Baai van Batavia voor anker gingen. Zoals gebruikelijk ging de schipper met een kleine sloep naar wal om allereerst bij de gouverneur-generaal zijn verslag uit te brengen. Ik zag hem van ‘De Drie Papegaaien’ vertrekken. Samen met de matrozen en soldaten keken we vanaf de reling naar het Kasteel van Batavia, de stad, de palmbomen en de blauwe bergen daarachter. Het was precies het aanzicht dat ik op het schilderij in de zaal met bewindvoerders van de VOC had gezien.
De schipper had het nodig gevonden om de secretaris van de gouverneur-generaal over mijn kookkunsten in te lichten, aldus dat is wat hij tegen mij zei toen hij terug aan boord kwam. Ik was bezig in mijn hut met het opbergen van mijn bezittingen in mijn scheepskist. Hij wilde het niet aan mijn kookkunsten toeschrijven dat de reis in recordtijd was verlopen en dat geen enkel bemanningslid aan scheurbuik was overleden, maar hij gaf toe dat zijn mannen nog nooit zo goed hadden gegeten.
Ik glimlachte, natuurlijk hadden de mannen nog nooit zo goed gegeten en wat die scheurbuik betreft, daarover had ik andere ideeën, maar ik was blij dat hij mij bij de secretaris had aanbevolen. Als kok zou in deze vreemde en onbekende stad ik in alle rust plannen kunnen maken voor het vervolg van mijn reis. Ik was zover als Batavia gekomen, maar ik wist niet hoe ik de Specerij Eilanden zou moeten bereiken, laat staan hoe ik een dozijn Oosterse meisjes zou moeten vinden die met mij mee terug zouden reizen.
De schipper stond erop om samen met mij een fles wijn te openen en we dronken we op het goede verloop van de reis. Nadat we waren uitgedronken bracht hij mij met mijn bezittingen, waaronder mijn kisten wijn, scheepskist, potten met bloemen en planten, messenset en twee emmers vissen in de kleine sloep hoogstpersoonlijk naar wal. Dit was de eerste keer dat ik mijn voet aan wal in het Oosten zette en waarschijnlijk ook de laatste keer. Het was ook de eerste keer dat ik Noor zag.
Soms kwam de schipper ook wel eens een kijkje in de keuken nemen en dan wilde hij weten hoe ik de vissen, die een van de matrozen eerder op de dag had gevangen, zou klaarmaken. De beperkte hoeveelheid ingrediënten aan boord spoorde mijn creativiteit goed aan. Naast de exotische vissen die ik nog nooit had gezien en waarvoor ik dus nieuwe gerechten moest verzinnen, experimenteerde ik met de bereiding van verschillende maaltijd soepen. Ik serveerde linzensoep toegedekt met een dikke laag geraspte kaas, maïssoep met krab of vissoep met aardappels. Het was mij opgevallen dat de matrozen en soldaten hard werkten en het leek mij dat hartige en gebonden soepen, die zij met een grote homp brood in hun korte pauzen snel konden verorberen, hun op krachten zouden houden.
Eenmaal in Kaap de Goede Hoop aangekomen, maakte ik van de verplichte tussenstop gebruik om opnieuw in te slaan. Meer kippen, varkens en struisvogel - de lokale variant op de kalkoen - die in gerookte, gedroogde en gezouten versie kwam. Enigszins mokkend schreef de schipper het merendeel van mijn aankopen in zijn kasboek als uitgaven op. Ik denk dat hij in de tussentijd mijn kookkunsten was gaan waarderen en dat hij ook moest erkennen dat zijn manschappen er uiterst tevreden en vol energie bijliepen.
Na onze stop voeren we in een recordtijd naar Batavia door waar we in de vroege ochtend in de Baai van Batavia voor anker gingen. Zoals gebruikelijk ging de schipper met een kleine sloep naar wal om allereerst bij de gouverneur-generaal zijn verslag uit te brengen. Ik zag hem van ‘De Drie Papegaaien’ vertrekken. Samen met de matrozen en soldaten keken we vanaf de reling naar het Kasteel van Batavia, de stad, de palmbomen en de blauwe bergen daarachter. Het was precies het aanzicht dat ik op het schilderij in de zaal met bewindvoerders van de VOC had gezien.
De schipper had het nodig gevonden om de secretaris van de gouverneur-generaal over mijn kookkunsten in te lichten, aldus dat is wat hij tegen mij zei toen hij terug aan boord kwam. Ik was bezig in mijn hut met het opbergen van mijn bezittingen in mijn scheepskist. Hij wilde het niet aan mijn kookkunsten toeschrijven dat de reis in recordtijd was verlopen en dat geen enkel bemanningslid aan scheurbuik was overleden, maar hij gaf toe dat zijn mannen nog nooit zo goed hadden gegeten.
Ik glimlachte, natuurlijk hadden de mannen nog nooit zo goed gegeten en wat die scheurbuik betreft, daarover had ik andere ideeën, maar ik was blij dat hij mij bij de secretaris had aanbevolen. Als kok zou in deze vreemde en onbekende stad ik in alle rust plannen kunnen maken voor het vervolg van mijn reis. Ik was zover als Batavia gekomen, maar ik wist niet hoe ik de Specerij Eilanden zou moeten bereiken, laat staan hoe ik een dozijn Oosterse meisjes zou moeten vinden die met mij mee terug zouden reizen.
De schipper stond erop om samen met mij een fles wijn te openen en we dronken we op het goede verloop van de reis. Nadat we waren uitgedronken bracht hij mij met mijn bezittingen, waaronder mijn kisten wijn, scheepskist, potten met bloemen en planten, messenset en twee emmers vissen in de kleine sloep hoogstpersoonlijk naar wal. Dit was de eerste keer dat ik mijn voet aan wal in het Oosten zette en waarschijnlijk ook de laatste keer. Het was ook de eerste keer dat ik Noor zag.
